0

To & Ko Aflevering 6: De duinen

to_en_ko_deel_6.jpgDe duinen waren nog warm van de zomer, in een soort nadampen van al die gasten had de dauw het helmgras schoon gewassen. Doodstil lagen de bunkers in de heuvels. Ko wilde erheen en groef een gang naar die betonnen kerkers. To stond met haar handen in de zij. “Je hoeft je niet zo uit te sloven, je kunt ook gewoon door de ingang naar binnen. Als je dat wilt. Het stinkt er. Ik ga naar zee. Dag”.

Een geweer
Tot zijn verbazing liet zij hem gewoon achter, trok haar jurkje over het hoofd en verdween de golven in. Ze moest van een vis afstammen, zo natuurlijk had ze zich in de golven ondergedompeld. Ko trok zijn hand boven zijn ogen om uit de verte te bespieden of ze niet naar een ander werelddeel zwom. Toen viel zijn aandacht op de bunker. Ze had gelijk: Je kon gewoon zomaar naar binnen lopen en dat deed hij ook. Er hing een geur van verrotting. Hij struikelde over half vergane kledingstukken en blikjes die verroest op de grond lagen verspreid. En toen vond hij het…. een geweer of een pistool. Ko wist het verschil niet. Geschrokken deinsde hij terug. Het zou toch niet zomaar afgaan. Was hier nog iemand? Ineens trok de eenzaamheid een rare cirkel om hem heen, alsof nooit meer iemand hem zou kunnen bereiken. Het gat voor de bunker kon in elkaar storten, een steen ervoor rollen…. waar was To nou toch?

De schelp
Voor het eerst in zijn leven miste hij iemand, hij die altijd alles alleen gedaan had. Hij wilde roepen, maar er kwam geen geluid. Alleen een soort droge snik. To zou hem nooit meer terugvinden, ze was misschien al naar Engeland gezwommen. Onder water, want die meisjes hebben allemaal dubbele bodems, ze laten je stikken als je ze nodig hebt. Mamma had het zelf gezegd en die kon het weten want ze was zelf een meisje. Geweest. Ineens druppelde er zout water naast hem. To stond aan de ingang met een grote schelp in haar hand: “Voor jou. Omdat je Ko bent en ik verder niemand weet die van mij een schelp zou willen hebben. Je moet hem tegen je oor drukken en dan hoor je de zee. Als je wilt. Anders moet je hem laten vallen en kapot maken om te zien of er een oester in zit. En die moet je opeten. Daarna vindt je alle mensen lief en wil je heel erg aan ze zitten”.
Ko keek haar verbaasd aan. Oesters … hij haatte het woord. Zijn vader riep het wel eens als hij niet luisterde aan tafel. ‘Je bent zo gesloten als een oester, zeg toch eens wat’. En dan wist hij juist niets te zeggen, niet meer dan ‘jaja’.

Naar huis
Hij wilde helemaal niet aan iemand zitten, niet aan een meisje, hij wou naar huis. Zijn konijn tegen zich aandrukken, de broodjes uit de magnetron halen nadat hij ze er eerst zorgvuldig met de tijdklok in had gestopt. Hij hield het voor vandaag wel gezien en snauwde: “Jij met dat gezwem en gezwam, pak dat rijbewijs nou maar, dan kunnen we naar huis.”
To werd helemaal niet boos. Ze lachte voluit. “Sorry, eindelijk kan ik lachen. Wat een leuke dag. Ik ben naar school geweest en heb een broer gekregen, ik mocht naar zee en je gaat mijn schelp niet kapot gooien. Het kan niet beter. Ik wil helemaal niet dat je aan me gaat zitten met die handen, maar als vrouw moet je dat nu eenmaal aanbieden. Dat hoort zo.”
Ko kuchte: “Nee hoor To, dat kan in het echt wel zo zijn, maar zo’n relatie hebben we niet.”

Auteur Renée de Haan, tekeningen Mirjan van de Hel
Meer over Renée en Mirjan
Lees ook deel 1
Lees ook deel 2
Lees ook deel 3
Lees ook deel 4
Lees ook deel 5

Laat uw commentaar achter