Alles of niets
Toen Alida die ochtend voor dag en dauw de deur uitging om te wandelen in het uitgestrekte duingebied van Schoorl, kon ze niet vermoeden, dat het haar wereld op zijn kop zou zetten. Ze ging dan ook goedgemutst op pad. Ook letterlijk, want het was koud. Het gras knisperde onder haar stevig doorstappende voeten. Haar snelle adem wolkte. Aan de nog nachtelijke lucht zag je sporen ochtendrood. De zon poogde op te komen. Het beloofde een bijna winterse dag te worden, terwijl het officieel nog herfst was. Half december – nog twee weken te gaan voor Kerstmis.
Nadat Alida eenmaal heuvel op en heuvel af gelopen had, begon ze licht te transpireren in haar winterjas. Haar muts trok ze dieper over haar oren. Ze floot een deuntje voor zich uit. Marsmuziek. Daarvan bleef je ook duinopwaarts in de pas lopen. Wacht. Ze zou hier van het pad afgaan en door het mulle, eveneens bevroren zand gaan lopen, dat oplichtte in het nog tamelijk donkere bos. Ze hoopte op een witte Kerst. De vredige sfeer in dit doorgaans verlaten buitengebied trok haar juist dan aan. Het ochtendrood beloofde sneeuw!
Op dat moment fladderde luid schreeuwend een grote vogel op. Vreemd was het wel. Wat had hem gestoord? Een vos? Alida moest poolshoogte nemen. Zonder terughoudendheid wrong ze zich tussen de struiken. Om vervolgens met gesloten ogen zelf een harde gil te slaken. Ze vergaarde moed, keek nogmaals. Lag daar een zwerver? In dit grote bos op deze koude, vroege ochtend? Had hij hier de nacht doorgebracht?
Vanuit zijn benarde positie keek de man – overduidelijk danig van slag – terug naar de nieuwsgierige, verbaasde Alida.
‘Wie bent u en wat doet ú hier nou?’ bracht Alida uit. Ze bekeek de oude man. Zijn gesoigneerde, golvende grijze haar viel tot over zijn schouders en werd één geheel met de baard op zijn borst. Ogen met lachrimpels prikten de dag aan. Hij hield een geblokte deken om zich heen. Alida meende toch hier en daar wat roods te bespeuren: de jasmouwen van de man. Een vrolijke kleur voor iemand op leeftijd. Dit kon geen zwerver zijn.
‘Bent u gewond?’ De oude man schudde zijn hoofd.
‘Ik geloof van niet. Ik ben wel een beetje stijf. En geschrokken. Zo’n landing heb ik niet eerder gemaakt. Waar ben ik eigenlijk?’ Alida bood de man haar drinkfles aan, die ze altijd bij zich droeg. Ze legde hem uit, waar hij was.
‘Hoe is het mogelijk. Ik begrijp er niets van.’ Hij voelde aan zijn hoofd. ‘Waar is mijn pet?’ Alida keek rond. Ze begon hard te lachen. Was ze beland in een Disneyfilm, soms? Ze plukte een rode puntmuts met bontrand uit de takken van een den.
‘U gaat me toch niet vertellen, dat u de Kerstman bent?’ hikte Alida.
‘Ja, dat ben ik wel. De enige echte.’ De oude man kuchte en aarzelde, ging opeens rechtop zitten. ‘Ho, ho, ho! Waar is mijn slee? O, lieve help. En mijn rendieren?’ Hij keek omhoog, tegelijk met Alida, die weer moest lachen. Was ze gek geworden? Hoog in de achterste takken van de boom hing de slee van de Kerstman, ondersteboven. Alida maakte zich dun en kroop langs het groen om te kijken of er nog meer verrassingen waren.
‘Er liggen allemaal pakjes hier, verspreid tussen het helmgras,’ riep ze. ‘Ach, en kijk nou uit. Daar in de verte zie ik – verdraaid: een hert. En nog twee!’ De dieren keken op en zetten het op een lopen, terwijl je een zacht getinkel van bellen hoorde. De kerstkaart was compleet. Maar wat moest Alida hieraan doen?
‘De boswachter moet dit weten,’ dacht ze hardop. Als door een bij gestoken stond de Kerstman op.
‘Nee! Alsjeblieft niet. Geef er geen ruchtbaarheid aan. Woont u hier in de buurt? Misschien kan ik even bij u ontbijten. En een tukje doen. Ik heb nauwelijks geslapen vannacht, dat begrijpt u. Als de dag ten einde is, keer ik onopvallend terug naar deze plek. Een mooi gebied. Ik weet zeker dat ik mijn rendieren daar tevreden grazend terug vind, zodat we onze reis kunnen vervolgen. Helpt u mij even mijn slee op de grond te zetten? De rest kan ik zelf. Die cadeautjes ziet niemand. Er zit trouwens niets in.’ De Kerstman sloeg wat zand van zijn broek en schudde voorzichtig aan de boom. De slee gleed naar beneden en met behulp van Alida begeleidden ze het gevaarte naar de grond. Ze stelden het ding verdekt op tussen het groen. Samen liepen ze al pratend naar het huis van Alida.
‘Mijn rendieren zijn het niet gewend betrekkelijk gewichtloos te reizen door de lucht. Die lege pakjes wegen niets!’
‘Maar waarom krijgen de mensen zo’n leeg pakje?’ vroeg Alida. ‘Juist nu, in crisistijd, is het voor iedereen fijn om op u terug te kunnen vallen.’ Ze gaf de Kerstman een arm.
‘Dat is het hem nu juist. De laatste jaren was het heel moeilijk het iedereen naar de zin te maken. Iedereen heeft alles. Verlanglijstjes werden steeds ingewikkelder. Het moest dit zijn, of dat, in die vorm en kleur. De inhoud van elk pakje viel zo vaak tegen! Dan werd het meteen geruild, of teruggebracht. Met het geld kocht men andere, dure dingen. Ik begrijp dat niet. Een cadeautje hoort voor mensen een verrassing te zijn. Je hoort het uit te pakken en blij op te veren, omdat je deze inhoud niet verwachtte. Omdat je het leuk vindt, dat iemand – de Kerstman nota bene – juist dit voor jou bedacht heeft, iets dat je zelf nooit zou kopen! Alleen dan is het echt een cadeautje!’ Er gleed een traan over de roze wang van de Kerstman. Het maakte hem echt verdrietig, die ontevredenheid, zag Alida.
‘Kijk,’ vervolgde de oude man, terwijl hij het huis van Alida betrad. ‘Als nu de mensen dit jaar mijn pakje openmaken en niets vinden, is dat in elk geval een verrassing voor ze! Misschien zet het hen aan het nadenken, verzinnen ze er zelf iets bij. Of inspireert het hen die prachtige verpakking te hergebruiken, door er iets eigens in te stoppen en dat door te geven. Want weet je, dáár gaat het om. Dat mensen het beste van zichzelf weggeven aan anderen. Juist nu men niet veel te besteden heeft!’
Alida begeleidde de Kerstman naar haar logeerkamer, sloeg het bed open. Hij ging zuchtend liggen. Ze dekte hem toe.
‘Ik breng u nog een ontbijtje, hoor. Niet gaan slapen.’ Maar toen Alida even later met een dienblad vol overheerlijk, warm brood, beleg en een glas melk binnenkwam, was de Kerstman diep in slaap. Zacht zette ze het lekkers naast zijn bed. Het bleef de hele dag stil in haar huis. Toen het begon te schemeren, ging ze naar haar bijzondere gast toe. Ze klopte op de deur, deed hem zacht open. Onder het bolle dons verwachtte ze de Kerstman, die zou opkijken. Er gebeurde niets. Alida liep naar het bed. Niemand! Al het eten was op. Ze sloeg het dek terug. Een pakket in papier van regenboogkleuren met een gouden gloed glom haar tegemoet. Een driedubbele strik met afhangende linten maakte het beeld helemaal af. Schitterend. Zoiets moois had Alida lang niet gekregen. Ze legde het fraaie cadeau op tafel, zette het later onder haar kerstboom. Zo genoot ze er twee weken van.
Kerstavond. Nu hoefde ze haar nieuwsgierigheid niet langer te bedwingen. Hoewel? Ze wist wat erin zou zitten. Toch? Niets! Of alles?
Van het lint gleed wat stof in glinstertinten op haar schoot. In de verte hoorde ze tinkelbellen. Even voelde ze de vrieskou van die ochtend in het bos en – onopvallend – de warmte van de Kerstman.
Copyright © 2010 Giselle Ecury
De nieuwe dichtbundel van Giselle Ecury is onlangs verschenen, die de titel Vogelvlucht draagt. Dit is haar vierde boek. Eerder verschenen Terug die tijd (gedichten, 2004/2005) en de romans Erfdeel (2006) en Glas in lood (2009). Giselle schrijft regelmatig voor Damespraatjes en we zijn blij dat we alvast een voorproefje mogen geven.





